Edinburgh is na Londen de meest geliefde stad voor een citytrip in de UK… en we begrijpen waarom!
Na onze week met Toby hebben we ons verblijf in de stad verlengd met drie nachten, dus hebben we twee volle dagen om Edinburgh te ontdekken. En dat is net voldoende om te proeven, maar het is lang niet genoeg en we weten nu al zeker dat we nog willen terugkomen.
Edinburgh is zo’n stad die eigenlijk alles heeft: zoals in veel steden is er een oud en een nieuw gedeelte, maar naast het stadscentrum ben je ook in een mum van tijd aan het strand of in het groen. Voor een vlakke wandeling kan je naar het mooie park Princess Street Gardens, aan de voet van Edinburgh Castle, en voor een mooi plaatje met het kasteel op de achtergrond wandel je in het park naar de prachtige Ross Fountain! Het kasteel zelf kan je ook bezoeken, wij hebben dat niet gedaan omdat we keuzes moesten maken, en omdat er interessantere kastelen in Schotland zijn die een bezoekje waard zijn.
Voor wat steviger wandelwerk kan je eindeloos wandelen in Holyrood Park, waar je zoals in de vorige blog beschreven naar Arthur’s Seat kan klimmen.
Gewoon rondwandelen in de stad is op zich al een goede training, want het is bijna nergens vlak.
Pittoresk en lieflijk is Dean Village, vlakbij het hart van de stad, het is net een postkaart met een afbeelding uit een Charles Dickens verhaal. Er is helemaal niets te zien of te doen maar het is echt heel mooi en mensen zakken af naar Dean Village om allemaal dezelfde foto te maken vanop het bruggetje. Ook wij maken die foto die al ontelbare keren werd gemaakt, maar het is nu eenmaal heel schattig.
Nog een leuke wandeling middenin de stad is de korte klim naar Calton Hill.
Je hebt geen wandelschoenen nodig want je kan gewoon de trap nemen. Bovenaan vind je een aantal monumenten, zoals het nogal lelijke National Monument: een nooit afgewerkte kopie van het Parthenon in Athene en meteen ook de reden waarom Edinburgh weleens “The Athens of the North” wordt genoemd. Of het Nelson Monument, vanwaar nog steeds elke middag om 13u een schot klinkt dat in de hele stad te horen is: een teken dat het tijd is om te lunchen.
Winkeltjes kijken kan je doen op Princess Street in het nieuwe gedeelte van de stad, maar veel en veel mooier en charmanter is het oude gedeelte, met de Royal Mile die naar beneden slingert vanaf het kasteel, en Victoria Street, waar J.K Rowling inspiratie haalde voor Diagon Alley, maar daar kom ik later uitgebreid op terug.
Musea zijn er ook genoeg te vinden, en als je er één moet kiezen, kies dan voor het National Museum of Scotland! Heel vergelijkbaar met het British Museum in Londen. Je vindt hier alles, van geologie, natuurkunde, oude beschavingen, mode… Ook hier kom je eigenlijk niet toe met één bezoek. Wij hebben er 4 uur rondgelopen en slechts een stukje gezien. Maar na 4 uur rondlopen in zo’n museum verslapt je aandacht en wordt je moe en dorstig, dus langer blijven lukte echt niet. Het gebouw zelf is op zich al prachtig en de toegang is gratis, dus zelfs als je maar een half uurtje tijd hebt: zeker binnengaan!
Een tweede museum dat wij deden op aanraden van de manager van onze b&b was Surgeon’s Hall.
We liepen er twee uur rond en kwamen lichtjes misselijk buiten.
Niet dat het niet interessant was, dat is het zeker wel. Maar je moet een sterke maag hebben om de enorme collectie lichaamsdelen op sterk water, al dan niet met tumoren en andere aandoeningen, te kunnen aanzien. Het museum handelt over de oorsprong en evolutie van chirurgie, in de vroege 19e eeuw was Edinburgh University een toonaangevend Europees centrum voor anatomische studie.
Er wordt uitgebreid uitgelegd hoe studenten geneeskunde vroeger aan de hand van autopsies leerden hoe een lichaam in elkaar zit. Dat ging er vroeger niet zo netjes aan toe, want de enige lichamen die de universiteit legaal kon krijgen, waren die van ter dood veroordeelde criminelen, mensen die zelfmoord hadden gepleegd of van overleden zwervers en weeskinderen. Omdat er een tekort was aan kadavers bood de universiteit op een gegeven moment 10 pond voor een lichaam. Heel veel geld als je bedenkt dat een jaarloon in die tijd zo’n 15 pond was!
Hier komt het beruchte duo Burke & Hare in beeld, ook wel gekend als “the bodysnatchers”.
William Burke en William Hare sloten een donkere deal met Robert Knox, docent anatomie, en leverden gestolen en opgegraven lichamen aan de universiteit. Omdat het zaakje zo goed opbracht, begonnen ze op een gegeven moment gewoon zelf te moorden.
In 1828 pleegde het duo 16 moorden in 10 maanden tijd, tot ze uiteindelijk betrapt werden en terechtgesteld werden.
Naast al dat lugubere zijn er ook luchtigere stukken in het museum. Zo kan je zelf ervaren hoe het is om via een camera te opereren door met twee tangen blokjes op elkaar te proberen stapelen.
Robbie was er tamelijk goed in, ik bakte er niets van.
Of je kan kijken of je een vaste hand hebt. Hier viel Robbie door de mand, en ik kreeg de melding dat ik de vaste hand van een neurochirurg heb. Misschien moeten we samenwerken, alleen vervelend dat ik niet tegen bloed kan. 😊
Je leert ook een heleboel eigenaardigheden uit de geschiedenis.
Wist je bijvoorbeeld dat tot het begin van de 19e eeuw vrouwen het beroep van dokter niet mochten uitoefenen maar dat ze wel mochten opereren? Absurd nietwaar? Dat kwam omdat chirurg in die tijd een minderwaardig beroep was, en het was meestal gecombineerd met het beroep van kapper. Dus iemand die haar kon knippen kon ook opereren. De tijden zijn nogal veranderd…
In elk geval: als het je interesseert is dit museum een aanrader. Vooral voor studenten geneeskunde is het ongelooflijk interessant. Het valt alleen een beetje zwaar op de maag.
Om de dag met een goed gevulde maag te beginnen zitten we trouwens prima in ons hotelletje!
Je krijgt er ’s ochtends “hot porridge”, havermoutpap met honing, room én… een borrel whisky om erover te gieten!
Gevolgd door een “full Scottish breakfast”, heel vergelijkbaar met een Engels ontbijt en ook verkrijgbaar in een volledig vegetarische versie. Het verschil met een Engels ontbijt is de haggis die je hier bij krijgt. Haggis, het nationaal gerecht van Schotland: ingewanden gekookt in een schapenmaag, klinkt overheerlijk niet? Omdat de UK de beste van de klas is als het gaat over vegetarisch en vegan eten, bestaat er tegenwoordig ook een veggie variant van Haggis. Het ziet er net zo onsmakelijk uit als de echte Haggis, maar er komt geen dood dier aan te pas. Ik heb het één keer geprobeerd bij mijn ontbijt, maar ik was geen fan. Voedzaam is het waarschijnlijk wel, omdat het vooral uit tarwe en linzen bestaat.
Over naar iets anders dan: Greyfriars Bobby, hét icoon van Edinburgh!
Bobby was de trouwe Skye Terriër van John Gray, een tuinman die, nadat hij moeite had om werk te vinden, zich aansloot bij de nachtwacht van de politie. Om hem gezelschap te houden tijdens de lange en koude nachten, adopteerde hij Bobby.
Vele jaren was het duo helaas niet samen gegund, want twee jaar later, in 1858, stierf John aan tuberculose en werd begraven op Greyfriars Kirkyard.
Het was enkele dagen na zijn dood dat James Brown, de grafdelver en tuinman van het kerkhof het hondje opmerkte op het graf van zijn baasje. Hij joeg hem weg, maar de volgende dag zat hij er weer, en de dag daarna weer… Bobby bleef terugkomen en uiteindelijk kreeg James medelijden met het beestje en jaagde hij hem niet meer weg.
Hij verliet het kerkhof enkel nadat het geweerschot om 13u klonk vanop het Nelson Monument. Bobby ging dan naar het koffiehuis achter de hoek, waar hij eten kreeg.
De rest van zijn tijd bracht hij door op het graf van zijn baasje, waar sympathisanten na een tijdje een hok plaatsten waar hij kon schuilen, en waar hij gevoerd werd.
Maar in 1867 kwam er een wet dat honden zonder licentie afgemaakt moesten worden.
Omdat Bobby’s baasje overleden was, had hij helaas geen licentie en dus zag de toekomst er voor hem niet goed uit. James Brown wilde wel maar kon het niet betalen. Maar gelukkig was Sir William Chambers, de Lord Provost van Edinburgh, bereid om te betalen voor een licentie en Bobby kreeg een halsband met plaatje om met zijn naam erop.
Bobby was inmiddels beroemd. Mensen van over de hele wereld zakten af naar Greyfriars Kirkyard om het hondje te zien en te aaien.
Maar liefst 14 jaar bleef Bobby trouw het graf van zijn baas bezoeken.
Hij overleed zelf in 1872 op 16-jarige leeftijd, en 1 jaar later werd er een standbeeld geplaatst, vlakbij het kerkhof.
Omdat een hond niet begraven mocht worden op het kerkhof, werd hij begraven op het binnenplein van het kerkhof, niet ver van het graf van zijn baasje. Naast het graf van zijn baasje ligt trouwens het graf van James Brown, met het opschrift onder zijn naam “friend of Bobby”.
Als je het kerkhof binnenwandelt, zie je meteen een monument voor Bobby en zijn grafzerk, waar mensen hem takken brengen.
Het bronzen standbeeld staat er ook nog steeds, de neus is goud verkleurd door de vele aanrakingen van de mensen, die geloven dat het geluk brengt om Bobby’s neus aan te raken.
Omdat het brons op die manier afsleet, werd de neus al een paar keer vervangen, maar uiteindelijk gaven ze het op. Er worden nu zelfs souvenirs verkocht met de afbeelding van het Bobby beeld mét verkleurde neus 😊.
Ik kan niet anders dan mijn laatste paragraaf wijden aan Joanne Rowling, oftewel J.K Rowling, auteur van de nog steeds waanzinnig populaire Harry Potter boeken.
Hoewel je de verschillende sites in Edinburgh die een link hebben met Harry Potter gemakkelijk op je eentje kan vinden, is het toch interessant om een tour met gids te doen. Je krijgt op die manier een schat aan informatie mee. Wij boekten via Airbnb een tour met Rob Carr, een Engelsman die in Schotland woont en een fascinatie heeft voor alles wat met de geschiedenis van de stad te maken heeft én natuurlijk voor Harry Potter!
Op de twee uur durende wandeling krijg je naast tovenaar-gerelateerde info ook nog een heleboel interessante weetjes over de duistere geschiedenis van Edinburgh.
Bijvoorbeeld over de galg op de Grass Market, de oude pubs en inns waar het nog steeds zou spoken, de pub die “The Last Drop” heet, verwijzend naar het laatste slokje whisky dat een ter dood veroordeelde kreeg voor hij werd opgehangen. Of de pub die “Maggie Dickson” heet, naar de getrouwde visverkoopster die na vergeefs wachten op haar man die niet meer thuiskwam, verliefd werd op een andere man. Ze werd zwanger van hem maar omdat ze nog steeds getrouwd was, moest ze die zwangerschap verstoppen en deed ze gewoon of ze dikker werd door veel te eten.
Uiteindelijk vond men haar baby dood en het werd nooit duidelijk of ze het kind vermoord had of het doodgeboren was, maar omdat men uitging van het eerste, werd ze ter door veroordeeld.
Maggie hing maar liefst 2 uur lang aan de galg en toen men haar lichaam nadien vervoerde hoorde men plots geklop op de kist. Als bij wonder had Mary de ophanging overleefd, en omdat men ervan uitging dat dit God’s wil was, mocht ze blijven leven. In 1765 stierf ze een natuurlijke dood op 63-jarige leeftijd. Mensen werden in die tijd niet zo oud.
Om een brugje te maken naar Harry Potter: Maggie zou wel eens de inspiratie kunnen zijn geweest voor “Nearly Headless Nick”, één van de spoken die op Hogwarts ronddwaalden.
En zo zijn we bij J.K Rowling beland. Een korte schets: voor er sprake was van Harry Potter woonde de Engelse Joanne met haar man en dochter in Portugal. Haar man was echter een gewelddadige smeerlap en Joanne vluchtte met haar dochter naar Edinburgh, waar haar zus woonde.
Ze mocht tijdelijk bij haar intrekken maar na een tijdje stond haar zus erop dat ze werk zocht om huur te kunnen betalen. Intussen was tijdens een treinrit met vertraging van Manchester naar Londen het idee ontsproten voor een boek over een weesjongen die tovenaarsbloed bleek te hebben.
Rowling vond zes keer een baantje, maar werd zes keer weer ontslagen omdat ze voortdurend met haar hoofd in de wolken, of liever, op Hogwarts zat.
Ze schreef de eerste hoofdstukken van het eerste boek “The Philosophers Stone” in een kamer boven het Nicholsons Café, waarvan haar schoonbroer de eigenaar was. Hier kon ze rustig schrijven en hoefde ze niet te betalen voor koffie en lunch.
Joanne had geen rooie cent, maar van het beetje geld dat ze nu en dan verdiende met een baantje kon ze zich veroorloven om af en toe een kop koffie te drinken in The Elephant House. Hier zat ze achterin de zaak aan een tafeltje bij het raam, waar ze kon uitkijken op Edinburgh Castle.
De inspiratie vloeide rijkelijk en het koffiehuis werd de plaats die later bekend raakte als “birthplace of Harry Potter”, hoewel dit niet helemaal blijkt te kloppen aangezien ze de eerste hoofdstukken boven Nicholsons Café schreef.
Je kan The Elephant House normaalgezien bezoeken, en een kop koffie drinken aan hetzelfde tafeltje waar een aantal magische hoofdstukken tot stand kwamen, maar jammer genoeg is er in augustus 2021 een brand geweest en het koffiehuis is tijdelijk gesloten. Het tafeltje waar Joanne aan schreef zou geen schade hebben opgelopen dus als de zaak heropend wordt kan je er opnieuw een kop koffie aan gaan drinken, je zal wel niet de enige zijn!
Toen Joanne het eerste boek af had vond ze geen enkele uitgever die het boek wilde publiceren.
Het boek was veel te lang voor kinderen, het idee was te ouderwets, het verhaal was te raar…
12 keer werd ze afgewezen, tot Nigel Newton, hoofd van Bloomsbury, de mening van zijn dochter vroeg. De toen 8-jarige Alice Newton was razend enthousiast over het eerste hoofdstuk, en smeekte haar vader om meer te mogen lezen.
Het eerste boek was al snel een feit en werd in een mum van tijd mateloos populair.
Opmerkelijk was dat de tot de verbeelding sprekende verhalen niet enkel aansloegen bij kinderen.
Dankzij Rowlings unieke en geestige schrijfstijl en de originele personages raakten meer en meer volwassenen ook verslingerd aan de avonturen van de tovenaarsleerling.
En al loont het de moeite ze in de originele Engelse versie te lezen, de boeken zijn schitterend goed vertaald, iets wat niet vaak het geval is.
Fast forward naar het zevende en laatste boek: The Deathly Hallows.
JK Rowling was inmiddels niet arm meer. Ze werd zelfs de eerste auteur ooit die biljonair was, een status die ze niet lang hield, omdat ze heel veel geld weggaf en nog steeds geeft aan goede doelen.
Om het laatste boek af te werken, moest ze zich kunnen concentreren. Ze moest weg van de pers die overal op de loer lag, en ze moest weg van de drukte en het lawaai van haar gezin.
Joanne boekte een suite in het peperdure Balmoral Hotel in Edinburgh, en ze kwam maar liefst 4 maanden haar kamer niet uit. Toen ze de laatste woorden van het laatste hoofdstuk van het laatste boek geschreven had, schreef ze op de muur: “JK Rowling finished Harry Potter and the deathly hallows on 11th jan 2007”.
Vandaag heet de suite de JK Rowling suite. De deur is paars geverfd en er hangt een deurklopper in de vorm van een uil. Binnen kan je de tekst zien die ze op de muur heeft geschreven en die, samen met een gesigneerd exemplaar van het laatste boek, achter glas bewaard wordt.
Je kan zelfs overnachten in de kamer… tenminste als je daar 1000 pond voor over hebt!
Leuk weetje: volgens onze gids mag je steeds in het hotel gaan vragen of je de kamer mag zien.
Als ze niet geboekt is, mag dat!
Hij heeft het zelf 5 keer geprobeerd, maar steeds zonder succes. Je zou denken dat ze in zo’n fancy hotel niet meteen staan te springen om hordes Harry Potter fans te ontvangen die alleen maar de suite willen zien, maar blijkbaar vragen ze daar expliciet om terug te komen en het nog eens te proberen, ze zijn er trots op en willen graag dat mensen de kamer kunnen zien.
Eén van de mensen op een vorige tour van Rob Carr is het naar verluid gelukt!
Er zijn nog een aantal plekken in Edinburgh die een link hebben met de Harry Potter verhalen.
Zo zou Rowling in Victoria Street inspiratie hebben opgedaan voor Diagon Alley.
De bochtige straat met de kasseien en gekleurde gevels doen inderdaad denken aan het betoverde straatje, dat zich in de boeken in Londen bevindt.
Er is een winkel waar nu een kleine Harry Potter winkel/museum is, die inspiratie zou zijn geweest voor Ollivanders, de winkel waar alle soorten toverstokken verkocht werden..
In 1873 bevond zich hier Robert Cressers Brush Shop, een winkel waar gedurende 131 jaar borstels in alle soorten en maten verkocht werden. Bezems en borstels, stoffige hoog opgestapelde dozen in een klein Victoriaans gebouw met hoge plafonds… de sfeer klopt in elk geval wel.
Ook was er in deze straat ooit een winkel die “Aha Ha Ha Joke Shop” heette, en wellicht de inspiratie was voor de grappen en grollenwinkel van Fred en George Weasley. Vandaag is het gewoon een kledingwinkel, maar aan de gevel kan je nog de grote feestneus zien.
De dure privéschool George Heriot’s School zou inspiratie geweest zijn voor Hogwarts.
Niet alleen was het ooit een kostschool voor weesjongens en op die manier een link met Harry, als je naar het imposante gebouw kijkt zie je de gelijkenis met de tovenaarsschool.
Ook op het Greyfriars Kirkyard lopen voortdurend Harry Potter fans rond.
J.K Rowling deed via enkele van de oude zerken inspiratie op voor een aantal personages.
Zo is er het graf van Elizabeth Moodie. Rowling gebruikte deze familienaam voor het personage van één van de leraren verweer tegen de zwarte kunsten: Alastor “Mad Eye” Moodie.
Ergens in een hoekje vind je het graf van William McGonagall, gekend als de slechtste dichter aller tijden. Eén van zijn bekendste gedichten luidt: “on yonder hill there stood a coo, it’s no there noo”, wat zoveel wil zeggen als: op de heuvel stond een koe en ze staat er niet meer.
Rowling leende zijn naam voor het personage van Professor Minerva McGonagall, schitterend vertolkt in de films door Maggie Smith.
Het meest opvallende en sinistere graf is dat van Thomas Riddell.
Voor wie geen belletje hoort rinkelen:
Hij die niet genoemd mag worden… de duistere heer… Voldemort!
Rowling deed inspiratie op aan deze zerk, maar veranderde de naam subtiel in Tom Marvolo Riddle, om het verhaal te doen kloppen, en ook om de naam van de man die hier echt begraven ligt niet door het slijk te halen.
Nu kan je denken: is het niet een beetje vreemd om namen voor personages te zoeken op een kerkhof?
Wel… Rowling is niet de eerste die dit gedaan heeft.
Zo zag Charles Dickens bijvoorbeeld op een kerkhof de naam Ebenezer Scrooge, en vond hij zo het hoofdpersonage voor “A Christmas Carol”.
Grote fans brengen tenslotte nog een bezoekje aan het plein voor de Edinburgh City Chambers, waar een kleine walk of fame te vinden is en waar J.K Rowlings handafdrukken in het beton staan vereeuwigd.
Er valt nog zoveel over Edinburgh te vertellen, het is een prachtige, gezellige stad, rijk aan geschiedenis, vol ongelooflijk vriendelijke en behulpzame mensen…
We hadden er best nog enkele dagen langer voor kunnen uittrekken, maar de natuur roept, en tegen de tijd dat jullie dit lezen zijn we alweer een paar dagen en twee bestemmingen verder.
Op de plaats waar we naartoe trokken na Edinburgh hadden we helemaal geen Internet of telefoonverbinding, deed deugd eigenlijk.
Daarom komt deze blog met enige vertraging.
Wij gaan intussen verder met onze avonturen, jullie horen snel weer van ons!
Ciao!
x
























prachtig verhaal en geweldig mooie fotos
LikeGeliked door 1 persoon