Nadat we Edinburgh verlaten, rijden we verder noordwaarts langs de kust.
We rijden een klein stukje om langs Kirriemuir, waar het geboortehuis staat van JM Barrie, schrijver van Peter Pan. Het huis is tevens een klein museum dat je kan bezoeken, en dat wilden we graag doen. Maar wat we niet wisten was dat het enkel te bezoeken is tussen mei en oktober.
Een klein ommetje door het dorp dan maar, waar we op een boekenverkoop in een kerk stuiten én op een mooi standbeeldje van het hoofdpersonage van JM Barrie’s boeken: Peter Pan, de jongen die nooit volwassen werd.
Verder naar Wedderhill dan, een plek in het groen ergens tussen Stonehaven en Aberdeen.
Onderweg zien we waarschuwingsbordjes met… een eekhoorn op!
Het is weer eens wat anders dan de borden met beren en poema’s die we in Amerika overal zagen. 😉
De Airbnb van Nicola en Gaetan is een geweldige vondst.
Het koppel woont er samen met hun drie kinderen en met Gaetan’s ouders: Paddy en Catherine.
Op hun enorm domein mag je overal ronddwalen, ze hebben zelfs een eigen bos.
Hun zoon Zack stelt ons voor om een wandeling te maken en ons rond te leiden, hij studeert geschiedenis en heeft heel wat interessante dingen te vertellen over de omgeving.
Ook toont hij ons een aantal bijzondere plekjes, bijvoorbeeld een veld waarin vier steencirkels liggen, ook wel “elfencirkels” genoemd. Als we hem vragen of de mensen hier nog steeds geloven in de elfen, lacht hij dat niet weg zoals veel van zijn leeftijdsgenoten dat waarschijnlijk zouden doen. Hij is ermee opgegroeid, zegt hij, en hij zou het wel cool vinden als ze zouden bestaan.
Zo bouwen mensen nog steeds hun huizen met respect voor de elfenbevolking, er wordt niets gebouwd op grond waar elfen zouden wonen. Het verhaal achter de steencirkels is trouwens dat mensen deze destijds bouwden in de hoop dat de elfen erin zouden gaan wonen en zo de gewassen en het vee op het veld zouden beschermen in ruil voor het bouwen van de veilige burcht.
Op het domein is geen WiFi en zelfs amper telefoonsignaal. De kinderen van Nicola en Gaetan groeien volgens ons op een fantastische manier op hier. We vragen Zack of hij beseft hoeveel geluk hij heeft en dat beseft hij maar al te goed. Hij heeft ook bewust geen social media. Het is een bijzonder leven hier, je moet het kunnen en als je het niet gewend bent zal het niet makkelijk zijn. Maar het is zonder twijfel een veel rijker leven.
Ontzettend fijne en gastvrije mensen ook. Ze zijn net deze week begonnen met het zaaien van de nieuwe bomen en we mogen een kijkje nemen hoe ze dat doen. Het is best boeiend: Schotland wil er op korte tijd 9 miljard bomen bij en heeft dus nood aan mensen die dit soort business willen runnen. Het klinkt leuk en simpel: ze krijgen alle grond, meststoffen en gekiemde hazelnoten aangeleverd door de overheid en planten 170.000 bomen per jaar. Op 2 weken tijd moeten alle noten in potjes geplant zijn en begin oktober worden de jonge boompjes opgehaald. Klinkt volgens ons als een ongelooflijk leuke job die veel voldoening moet geven. Maar plantjes krijgen natuurlijk ook ziektes, zo eenvoudig als het klinkt zal het vast niet zijn.
Hoewel de Oostkust algemeen wordt beschouwd als de minst spectaculaire kant van Schotland, vinden wij het hier toch al heel erg mooi.
In de ruime omgeving vind je Aberdeen, de derde grootste stad van Schotland en naar onze mening hoef je daar niet meteen naartoe. Het is een nogal grauwe, starre stad. Wel is er een heel coole pub in een omgebouwde kerk. Slains Castle heet ie. Het interieur is donker en gotisch en toen ik tevergeefs naar het toilet liep te zoeken, bleek dat verborgen te zitten achter een geheime muur vermomd als boekenkast! Echt speciaal. De pubfood die je er kan eten is trouwens ook heel lekker.
Maar er zijn interessantere plaatsen in de buurt.
Zo kan je prachtig wandelen, bijvoorbeeld in een dennenwoud genaamd “Paradise Forest”. De wandeling is een lus van 7km en bijna helemaal vlak. Je wandelt tussen hoge dennen, open groene vlaktes, een lieflijk riviertje en een aantal mastodonten van sequoia’s.
Ook een dikke aanrader is een bezoek aan Dunnotar Castle.
Het kasteel alleen van de buitenkant zien is al spectaculair, vanwege de ligging op een klif in de zee.
Maar ook een bezoek aan de binnenkant is enorm de moeite waard.
Het kasteel is een goed bewaard gebleven ruïne, er hangen bordjes met uitleg bij elke kamer en je krijgt een goed beeld van hoe het er vroeger aan toe ging in zo’n kasteel.
Er zijn meer dan 1500 kastelen in Schotland, maar Dunnotar Castle zou één van de meest fascinerende zijn.
Ooit werden hier de Schotse kroonjuwelen bewaard, omdat ze zo goed bewaakt konden worden door de strategische ligging in de zee.
We zetten verder koers richting de Highlands en rijden door naar onze uitvalsbasis om Cairngorms National Park te verkennen.
Het park is enorm en je moet eigenlijk kiezen tussen de noordkant of de zuidkant.
Wij rijden meteen door naar het noorden, naar Aviemore.
Gaetan had ons de tip gegeven om door de bergen via Tomintoul (spreek uit Tom in Towel) te rijden. Het is het hoogst gelegen dorpje van de Highlands maar er is absoluut niets te zien! We zijn al blij dat we er een broodje en een kop koffie kunnen vinden voor de lunch.
Aviemore is het tegenovergestelde. Het is een klein maar toeristisch dorp waar alles rond bergsport draait. Ook is het een populair skioord. Deze tijd van het jaar heerst er een aangename drukte, maar we kunnen ons voorstellen dat het hier in de zomermaanden en tijdens het skiseizoen wemelt van de toeristen, dan kies je waarschijnlijk liever een andere uitvalsbasis om het nationaal park te bezoeken.
Cairngorms National Park is met zijn 4528 km² het grootste nationaal park van de UK en bevat een spectaculair en afwisselend landschap met naaldbossen, meren, moerassen en met sneeuw bedekte bergtoppen. Ook vind je hier 5 van de 6 hoogste bergen van het Verenigd Koninkrijk, plus ook nog eens zo’n 55 Munro’s (bergen die hoger zijn dan 914 meter).
De drie grote rivieren the Spey, the Dee en the Don ontspringen in het park.
Als je het hart van de Cairngorms wil bereiken en het park in zijn wildste en puurste schoonheid wil zien, moet je eigenlijk een meerdaagse trektocht doen. Wij waren daar niet op voorbereid, maar gelukkig kan je ook voor dagtochten kiezen uit honderden trails om prachtige wandelingen te maken.
Bijvoorbeeld doorheen Glenmore Forest, langs het schitterende meer Loch Morlich, en het kleinere maar mooie Green Loch. Het water van dit meer heeft een heldergroene kleur door algen en door de weerspiegeling van de sparren die het meer omzomen. Maar het is leuker om in de legende te geloven en die is dat het meer zijn kleur heeft gekregen door de lokale elfen die er hun kleren in wassen. Ook wordt geloofd dat je best iets groen draagt als je rond het meer wandelt, om je respect aan de elfenbevolking te betuigen.
Ook mooi is een wandeling doorheen de Rothiemurchus bossen, langs Loch an Eilein, waar in het midden van het meer een eilandje ligt met een ruïne van een 13e eeuws kasteeltje op.
Na 2 nachten rijden we verder naar onze volgende bestemming.
Wel grappig is dat we tot hiertoe bespaard bleven van de typische Schotse regen. Er zijn dagen geweest dat er een ijskoude wind stond, we hebben zon gezien en diepgrijze hemels, maar op een paar druppeltjes na hielden we het droog. Nét als we in de auto zitten voor de volgende rit, begint het te gieten!
Vanaf hier is het wel al mooier rijden, langs bochtige landweggetjes, doorheen weides met eindeloos veel schapen, en uiteindelijk dwars door volle donkergroene bossen, tot in Foyers, een piepklein dorpje aan de Zuidkant van het mystieke Loch Ness.
We hebben in deze regio net naast een housesit gegrepen. Toen we solliciteerden om op poes Boots te passen, kregen we het antwoord dat we perfect zouden zijn, maar dat er net iemand ons voor was geweest. We treuren er niet lang om, want de Airbnb die we hier hebben gevonden is een klein stukje paradijs.
Michael en Marie wonen heerlijk rustig en in het groen, en hebben naast hun eigen huis een tiny house gezet, dat ze verhuren als Airbnb. Het minihuisje heeft alles wat we ons maar kunnen wensen, en als we het gastenboek bekijken, lezen we dat de meeste mensen hier gewoon voor altijd hadden willen blijven. Als je door het raam naar buiten kijkt zie je enkel bos, en buiten is een heuveltje met een vuurschaal waar je ’s avonds naar de sterren kan zitten kijken. Je hoort dan uilen roepen en vanuit de bossen kijken tientallen oogjes mee, want de bossen zitten hier vol met edelherten!
Michael geeft ons meteen een heleboel tips mee voor de ruime omgeving, en we beseffen al snel dat we met een paar nachten niet zullen toekomen.
Ook is deze regio voor ons de eerste in Schotland waar we helemaal door overdonderd zijn. Het is hier ontzettend mooi, en wanneer we een lijstje maken van alle dingen die we willen doen, besluiten we hier toch maar meteen een week te blijven. Dit is tenslotte ook echt een plek waar je kan onthaasten, en we hebben de tijd, dus waarom niet?
Op onze eerste volledige dag maken we een mooie wandeling naar de nabijgelegen Falls of Foyers.
Een korte tocht leidt je naar beneden tot bij de 50 meter hoge waterval.
De setting is heel mooi, maar de waterval is op zijn spectaculairst na langdurige hevige regen.
De regen van gisteren was wellicht niet genoeg, maar we zijn dankbaar voor het geluk dat we al hebben gehad met het weer, dus we nemen de ietwat magere waterval er met plezier bij.
Je kan de wandeling verlengen met een tochtje door de bossen, helemaal tot bij de oever van Loch Ness. Het lijkt eerder op een zee dan op een meer. Loch Ness is 36 km lang en op het breedste deel 1,6 km breed. Het diepste punt van het meer is 226 meter. Er is maar 1 meer in Schotland dat groter is en dat is Loch Lomond.
Loch Ness is een indrukwekkend meer, minder feeëriek dan veel andere meren, maar fraai omzoomd door bergen, bossen en kleine “geheime” strandjes, maar het is natuurlijk vooral beroemd om het monster dat in de diepe donkere wateren zou leven: Nessie. Nog steeds is er een hele toeristenbusiness rond gebouwd en kan je met een Nessiehunter per boot op zoek gaan naar het monster.
Wij hebben vanaf de kant getuurd en getuurd, maar voorlopig nog geen Nessie kunnen spotten.
Na de wandeling besluiten we in de auto te springen en naar Tomatin te rijden, waar we de gelijknamige Whisky distilleerderij willen bezoeken.
Zoals sommigen onder jullie weten ben ik geen fan van Whisky, Robbie is dat wel.
Maar als je in Schotland bent, kan en mag je hier gewoon niet omheen.
Ik moet eerlijk zeggen: de tour die we krijgen bij Tomatin is écht leuk en interessant.
Samen met twee oudere koppels uit Glasgow vormen we een klein groepje en omdat we de laatste tour van de dag hebben, laat de gids ons stiekem een paar ruimtes zien die je normaalgezien enkel bij een duurdere tour te zien krijgt.
De distilleerderij bestaat sinds 1897, toen Whisky heel courant gedronken werd.
Tegen de jaren ’70 was Tomatin de grootste distilleerderij van Schotland. Whisky bleef populair tot eind jaren ’70 en kreeg daarna een serieuze terugval.
Met het wat stoffige imago een “dad’s drink” te zijn, wilden mensen liever gezien worden met een meer trendy drankje in de hand, zoals een gin, rum of vodka. Ook de mixers werden populair en Tomatin ging failliet in 1984. Echter, 2 jaar later besloot een Japans bedrijf de distilleerderij over te nemen. Takara Shuzo Ltd., de grootste drankproduceerder van Japan, was al jaren de belangrijkste klant van Tomatin en kon het niet zien gebeuren dat de distilleerderij zomaar zou verdwijnen. En zo werd Tomatin in 1986 de eerste distilleerderij in Schotland die in Japanse handen is. Er werd niets veranderd, wél werd er meer gefocust op kwaliteit dan op kwantiteit, en zo won het bedrijf weer aan kracht en noemen ze zichzelf nu niet meer de grootste, maar wel de beste distilleerderij van het land.
Onze gids is een sympathieke dame die zelfs een paar woorden Nederlands spreekt. Ze groeide namelijk op in Zuid-Afrika bij een Nederlandse moeder en een Britse vader.
Vandaag spreekt ze met een duidelijk en zuiver Engels accent, en we moeten grinniken als één van de dames in onze groep mij in haar plat Glasgow Schots vraagt: “verstaan jullie eigenlijk wat ze zegt? Want met al die andere accenten…”
Na de rondleiding is het tijd om te proeven. Jammer genoeg mag Robbie niet proeven, de chauffeurs krijgen een sample flesje mee naar huis. Veiligheid boven alles. Dus ik, die geen whisky lust, word opgezadeld met drie verschillende soorten Tomatin whisky.
Ik ga heel eerlijk zijn: ik hou nog steeds veel meer van een goede rum, maar ik moet mijn mening toch bijsturen wat whisky betreft. Ik had er een beetje een verkeerd beeld van door de soorten whisky die Robbie het lekkerst vindt. Hij houdt van zwaar geturfde whisky, van die drank die naar een lederen salon of een stoffige boekenkast smaakt. Maar hier leer ik dat er ook zachte whisky bestaat, zonder die geturfde smaak. Alle drie de proevertjes kunnen mij bekoren en als mij gevraagd wordt dewelke ik de lekkerste vond, antwoord ik tot mijn eigen verbazing: “de meest geturfde”.
Nog steeds heel erg zacht in vergelijking met een écht geturfde whisky hoor, net als de bourbon die ik lekker vond in Texas, neigt dit voor mij meer naar een rum, en dat vind ik wel aangenaam.
Ik leer ook dat ik me bij een volgend bezoek aan een distilleerderij helemaal niet meer hoef te schamen voor het feit dat ik eigenlijk geen whisky drinker ben. Onze gids houdt zelf niet van whisky, al heeft ze een appreciatie voor het proces van het distilleren ontwikkeld, en ze vertelt er dan ook met passie over. En ze vertelt ons dat zeker de helft van alle mensen die in de distilleerderij werken nooit whisky drinken. In elk geval: afhankelijk van welke soort het is, heb ik geleerd dat “a wee dram” (Schots voor een slok whisky) af en toe toch best wel te pruimen is.
De volgende dag ontdekken we Inverness. De hoofdstad van de Highlands ligt op een half uurtje rijden van Foyers en is absoluut een bezoekje waard. Het is zaterdag en een schitterende lentedag, mensen struinen glimlachend door de smalle winkelstraten en genieten van het zonnetje en een biertje op de terrasjes.
Ik zie dat deze blog alweer wat aan het uitlopen is, dus ik ga bijna afronden.
Maar ik moet het eerst nog over Strathpeffer hebben.
Op een halfuurtje van Inverness vind je dit dorpje in het groen, dat in zijn hoogdagen in het Victoriaans tijdperk een gekend Europees spa dorp was. Dit kwam doordat er bronnen werden ontdekt waarvan het water veel gezondheidsvoordelen zou hebben.
Als je door de piepkleine dorpskern wandelt, kan je je zo de grandeur van weleer voorstellen.
De prachtige Victoriaanse gebouwen, inclusief het oude treinstation zijn bewaard gebleven.
Verschillende hotels liggen statig mooi te wezen naast elkaar, maar een aantal ervan zijn inmiddels gesloten. Geen idee of de zaken slecht zijn beginnen gaan door Covid, of het gewoon om een seizoenssluiting gaat.
Het belangrijkste gebouw van het dorp is het spa pavilion, dat aan het eind van de 19de eeuw gebouwd werd als centrum van entertainment voor de vele bezoekers. In een veel kleiner paviljoentje midden op het dorpsplein, kan je een warm drankje, ijsje of wafel kopen, of een zakje ouderwetse snoep. In de Victoriaanse tijd was hier een plek waar je het ‘genezende’ zwavelwater van de bron kon proeven.
Nog een highlight is een wandelingetje naar Castle Leod, een heel mooi romantisch kasteel dat al meer dan 500 jaar bewoond wordt door leden van de Mackenzie clan.
Voor fans van de serie Outlander: dit is het kasteel waarop Castle Leoch, eveneens van clan Mackenzie in de serie, op is gebaseerd. Het was ook de bedoeling om hier te filmen, maar omwille van een handigere locatie werd gekozen voor Doune Castle, in Stirling.
De hoofdreden van ons bezoek aan Strathpeffer is deze: mijn grootvader langs papa’s kant, wij noemden hem Tatoe, kwam hier vroeger jaren op rij op vakantie. Hij was een sportvisser en ging vissen in één van de vele moors die de omgeving rijk is. Ook ontwikkelde hij een grote liefde voor het land en dit dorp en hij zou zelfs de titel van ereburger gekregen hebben!
Ik zou hem er heel veel vragen over willen stellen, vertellen dat we hier geweest zijn en vragen of hij nog foto’s heeft van die tijden. Maar jammer genoeg overleed hij al toen ik nog maar 9 jaar was, en heb ik hem niet lang genoeg gekend.
Wel vonden we dit een plek bij uitstek om een beetje van papa’s as achter te laten.
We waren het vrijwel meteen eens over de plek: er zijn twee reusachtige sparren die uitkijken over het centrale dorpsplein. Daar aangekomen gaf papa ons een heel duidelijk teken dat dit de juiste plek was. Ik ga er niet over uitweiden omdat ik weet dat niet iedereen gelooft dat er nog iets is na dit leven. Maar het was heel bijzonder en we hadden allebei kippenvel. Wie benieuwd is naar het verhaal mag mij er altijd over aanspreken 😉
Voor ons gaf dit in elk geval een enorm gevoel van troost in een emotioneel beladen periode.
Meteen een mooi moment om de blog af te sluiten… wij hebben hier nog meer te ontdekken, maar daarover lezen jullie alweer in de volgende blog!
Ciao!
x


































