Onze laatste dagen in de omgeving van Loch Ness zijn goed gevuld, er is zoveel te zien in deze regio.
Zo rijden we een keer naar Fort Augustus om daar in de buurt te wandelen.
Fort Augustus ligt op een half uurtje rijden van Foyers en is een klein aardig dorpje aan het uiteinde van Loch Ness, waar je een mooi uitkijkpunt over het meer vindt. Op de weg ernaartoe passeren we een prachtig meer dat Loch Tarff blijkt te heten.
De meren zijn hier zo magisch en vooral wanneer het windstil is kan je je voorstellen dat er een andere wereld in het perfecte spiegelbeeld in het water verborgen ligt.
Weer een andere dag rijden we naar de overkant van Loch Ness, naar het dorpje Drumnadrochit.
Dit is de toeristische kant van Loch Ness, heel anders dan Foyers, hoewel er deze tijd van het jaar nog maar weinig toerisme is. In het klein schattig dorpje vind je enkele restaurantjes en pubs, en een paar kleine souvenirwinkeltjes die zowat alles verkopen wat je je kan inbeelden, zolang het maar met Nessie te maken heeft.
Ook kan je hier het Loch Ness Exhibition Centre bezoeken, een museum dat helemaal draait om Loch Ness en het mysterieuze monster. Of het een must is om te bezoeken? Goh… het is een interactief museum en zeker interessant, maar je bent snel rond en de entreeprijs van 9 pond is het echt niet waard. Wij hadden geluk dat er in verschillende musea net een actie loopt waarbij je 2 tickets voor de prijs van 1 krijgt. Binnen krijg je een reeks filmpjes te zien waarin de mythe vooral ontkracht wordt, al laten ze gelukkig nog een beetje ruimte voor het mysterie.
Een eindje verder liggen de schitterende ruines van Urquhart Castle aan de oever van het meer.
Veel mensen, wij ook, keren lichtjes teleurgesteld en zonder foto terug vanaf de parking. Het kasteel is zo goed afgeschermd dat je de buitenkant enkel kan fotograferen als je de volle entreeprijs betaalt. Als je geen zin, tijd of budget hebt voor een uitgebreid kasteelbezoek, bespaar je je dus best de moeite om tot aan de ingang te wandelen.
23 maart… Robbie’s 40ste verjaardag!
De omgeving van onze Airbnb is prachtig en zalig rustig, maar er valt weinig te doen als het om eten en drinken gaat. Om een idee te geven: de dichtstbijzijnde supermarkt is in Inverness, een half uur rijden over een kronkelweg. Er is wel een heel klein winkeltje dat het aller hoogstnodige verkoopt én er is een heel mooie tearoom “Camerons tearoom and farm shop”, gelegen in een prachtig weidelandschap. Ideaal voor een verjaardagsontbijtje, gevolgd door een groot stuk taart!
Daarna wandelen we naar een goed verstopt meertje waar Michael ons over vertelde. Hij zei: “het is er zo mooi, het lijkt wel alsof het gemaakt is door de elfen!” En hij heeft gelijk. Je moet even weten waar het is, maar wanneer we het gevonden hebben staan we versteld van de magische pracht van deze plek en de innemende stilte. Je hoort er enkel vogels en kikkers.
Daarna trekken we naar Culloden, waar we de gelijknamige slagvelden bezoeken.
Het is enerzijds een heel mooie plek, maar wel met een dubbele laag. Het is namelijk gruwelijk wat hier gebeurd is. Op 16 april 1746 vond in dit stuk moeras de vreselijk bloederige laatste slag plaats tussen de Jacobites en het Britse leger, onder leiding van de hertog van Cumberland, later bijgenaamd “the butcher”. De Jacobites, voornamelijk Schotten, planden een nachtelijke veldslag op 15 april 1746. Maar een deel van hun leger liep onderweg verloren en ze moesten vermoeid terugkeren naar hun eigen kamp. Niet onbelangrijk om erbij te zeggen dat deze mannen sterk verzwakt waren doordat ze overleefden op één stukje brood per dag. De kilometers die ze te voet aflegden liepen ook niet bepaald over vlak terrein.
De volgende dag begon de echte slag. Het leger van de Britse regering, de zogenaamde “Redcoats” was veel sterker en gebruikte zijn artillerie om de Jacobites te bestoken, die door de slechte ondergrond van het moeras niet in staat waren om snel aan te vallen, en bovendien niet met gelijke wapens konden vechten. Wat volgde was een ongezien bloedbad. Ze werden gedwongen zich terug te trekken en te vluchten. De dodentol was enorm. Op slechts een uur tijd vielen er zo’n 1500 Schotse slachtoffers, van het Britse leger zouden er zo’n 150 mannen gedood zijn.
De hertog van Cumberland gaf zijn leger opdracht om alle gewonden op het slagveld te doden, alsook iedereen die probeerde te vluchten, waarbij ook veel mensen gedood werden die in de omgeving van het slagveld woonden en niets met de slag te maken hadden, mannen, vrouwen en kinderen, al wat ze tegenkwamen moest eraan geloven.
De zoektocht naar vluchtelingen hield weken aan en de hertog werd in Londen als een held onthaald. De overheid nam maatregelen om een opstand als deze in de toekomst te voorkomen, en omdat de meerderheid van de Jacobites Schots was, moest Schotland het ontgelden.
Alle wapens in Schotland werden verboden, alsook de doedelzak en het dragen van traditionele Schotse kledij, zoals de kilt. Hierdoor verdween ook het clansysteem.
Nu klinkt het in deze ingekorte historie misschien alsof de Jacobites het zelf gezocht hebben, maar de geschiedenis gaat veel verder terug. Uiteindelijk komt het erop neer dat het zoals al te vaak een geloofskwestie was, in dit geval tussen de katholieken en de protestanten. De geschiedenis wordt te lang en te ingewikkeld om in deze blog te ontrafelen, dus voel je vrij om je verder in te lezen. In de serie Outlander wordt ook een duidelijk beeld geschetst, zeker kijken als het je interesseert.
Vandaag is er op deze site een museum waar je stil van wordt, vooral als je de kleine cinemazaal binnengaat waar op een 360° scherm een korte film speelt van hoe de slag eruit gezien moet hebben. Nadien kan je over het slagveld wandelen, waar je ook de massagraven vindt. Gedenkstenen met de namen van de clans herinneren je aan wat voor vreselijks hier destijds is gebeurd.
Zware materie voor een verjaardag, maar eigenlijk wel een must om te bezoeken als je in de buurt bent.
We maken ons hoofd nadien leeg aan een klein strandje aan Loch Ness, voor een laatste mooie zonsondergang hier. We hebben al ontzettend veel geluk gehad. Het typisch Schotse weer blijft ons voorlopig bespaard, en overdag in het zonnetje is het vaak heerlijk lenteweer zolang de frisse wind wegblijft, maar een jasje moet je toch echt in de buurt houden. Schotten, hebben we al gemerkt, zijn echter een bijzonder taaie soort. Er zijn dagen geweest waarop het 6 graden was: we zagen meisjes in minirokjes en mannen in t-shirts, en bij verschillende huizen hing de was vrolijk buiten te drogen! Vandaag is het lekker weer geweest, tot wel 18 graden, maar ’s avonds bij het meer is het echt heel fris, en het water is berekoud. Toch zien we 2 meisjes in short en t-shirt het meer opgaan op een paddleboard. En nog straffer is de vrouw in badpak die even rustig een paar baantjes gaat zwemmen! Rare jongens, die Schotten!
Voor Robbie’s verjaardags etentje hebben we niet veel keuze. De smalle weg naar de stad is bochtig en stikdonker en vinden we wat gevaarlijk om ’s avonds te doen. Onze enige optie is het Craigdarroch Hotel in Foyers. In veel dorpjes in Schotland zitten de pubs gewoon verborgen in de hotels, en ook dit hotel heeft een hele fijne pub waar we lekker kunnen eten met een heerlijk glaasje wijn erbij. Nadien te voet naar huis kunnen wandelen is een groot voordeel!
De volgende dag nemen we afscheid van Michael en Marie en hun fantastische Airbnb en rijden we door naar het noorden. De NC500 is een route van 516 mijl die begint en eindigt in Inverness, en langs de hele noordkust van Schotland loopt. De locals noemen het weleens de Schotse versie van de Route 66, al zien we niet meteen een gelijkenis.
Hier begint Schotland al wat meer te lijken op wat je ervan verwacht. Schapen lopen overal kriskras over de weg en de kustlijn wordt een stuk ruiger.
In het uiterste noorden stoppen we even in het dorpje John o’ Groats.
Er is niet veel te zien, buiten een klein brouwerijtje, een winkeltje en de voetveer naar de Orkney eilanden, die je kan zien liggen. We hebben overwogen om de Orkneys te doen, maar ze zijn ontzettend kaal en spreken ons daarom minder aan. Om één of andere reden zijn veel reizigers er wel helemaal door gefascineerd, dus we zijn wel benieuwd. Maar omdat de eilanden een reis op zich zijn, vooral als je het noordelijkste eiland Shetland er nog eens bijneemt, besluiten we dat we het op ons to do lijstje zullen zetten voor een andere keer.
We maken een paar foto’s en rijden door naar onze volgende bestemming: Dunnet. Omdat we met onze eigen auto zijn konden we wat extra spullen inpakken en dus besloten we ook onze tent, slaapzakken etc in te pakken. Dunnet is een dorpje vlakbij Dunnet Head, het meest noordelijke punt van het Britse vasteland. Veel accommodatie is er niet deze tijd van het jaar, maar we vonden een leuke kleine camping met een schitterend zicht op de kliffen en de zeehondjes die beneden op het keienstrand liggen te luieren. Op een Duits gezin met een camper na, zijn we de enige gasten, dus het is heerlijk rustig. De eigenaars hebben twee honden: een ongeïnteresseerde husky die Sky heet, en Billy, een pracht van een Border Collie die continu wil spelen. We vallen ’s avonds in slaap onder het ruisen van de golven en worden wakker met het gekrijs van de meeuwen en Billy die een aai wil.
Binnen een week of twee komen hier hele kolonies puffins, oftewel papegaaiduikers om zich in de kliffen te nestelen.
Deze clowns onder de vogels zijn graag geziene gasten, maar wij zijn jammer genoeg net iets te vroeg om ze te kunnen zien. Weer in andere seizoenen kan je hier ook het geluk hebben verschillende soorten walvissen, dolfijnen en orka’s te zien. En als je hier tussen november en januari zou zijn, heb je kans op het magiche noorderlicht!
De volgende dag hebben we een rondleiding geboekt in de gin distilleerderij hier vlakbij.
Want natuurlijk is Schotland wat drank betreft niet enkel gekend om whisky maar zeker ook om gin!
Dunnet Bay Distillers is een kleine distilleerderij, gestart door het koppel Martin en Claire, hoewel ze zelf volhouden dat de grote baas eigenlijk hun inmiddels overleden hondje George was.
Ze hadden een lang gekoesterde droom om een distilleerderij te starten, maar tot in 2009 was er een wet die stelde dat je enkel een distilleerderij kon starten als je minstens 1800 liter kon produceren.
Dit was simpelweg te groot en te duur voor Martin en Claire, dus ze stopten hun droom in de koelkast. Inmiddels woonden en werkten ze in Frankrijk, tot ze hoorden dat de wet gewijzigd was. Euforisch trokken ze in 2014 terug naar hun “thuis” in Dunnet, bouwden er een huis en de kleine distilleerderij. Hun eerste koperen ketel doopten ze “Elizabeth”, naar de Queen Mom die vroeger veel hield van deze regio en er vaak verbleef in de Castle of Mey.
Ze experimenteerden en probeerden en kwamen uiteindelijk bij hun eerste succesrecept uit voor “Rock Rose Gin”. Ze hoopten in hun eerste jaar zo’n 10 000 flessen te maken, maar verkochten er al 9000 in hun eerste kwartaal! Van een succes gesproken!
Nooit hadden ze kunnen dromen dat ze in slechts een paar jaar tijd 14 mensen in dienst zouden hebben en zelfs prijzen zouden winnen. In 2019 wonnen ze onder meer de prijs van Scottish Gin Distillery of the Year op de Scottish Gin Awards.
De rondleiding start gezellig met een gin & tonic van het huis, gevolgd door een tour door de distilleerderij met de nodige uitleg en een wandeling in de mooie botanische tuin, want ze proberen zoveel mogelijk ingrediënten zelf te kweken. Afsluiten doen we met het proeven van twee soorten gin en hun nieuwe experiment: de Schotse vodka Holy Grass. Die laatste kwam er omdat ze wilden experimenteren om een gin te maken met het zoet geurende veenreukgras. Maar het resultaat was verschrikkelijk slecht en omdat dit gras in Polen gebruikt wordt om vodka te maken, besloten ze om dat ook een keer te proberen. Vodka smaakt normaal nergens naar, maar hier zijn ze erin geslaagd om door de juiste kruiden een zweem van appel en kaneel in de vodka te krijgen. We proeven hem met een beetje ginger ale en het is zeker en vast niet verkeerd, een beetje een kerstmarkt drankje. Maar eerlijk gezegd vinden we de gin toch beter! Een fles Rock Rose gin nemen we mee voor thuis.
We wandelen het licht tipsy gevoel eraf met een lange strandwandeling, het is alweer prachtig weer.
En dan rijden we verder naar Durness, waar we ons tentje opnieuw zullen opzetten voor twee nachten. We vinden de noordkust in eerste instantie niet zo heel mooi. Er zijn wel bergen en meren, maar er groeien maar weinig bomen en overal waar je kijkt zie je droog heidelandschap.
Maar Durness is anders. Onze camping is gelegen langs de dramatische kust en een aantal oogverblindende strandjes. Turkooizen golven storten zich vol overgave te pletter op de rotsen.
Het is niet moeilijk te begrijpen waarom John Lennon hier ooit zijn hart verloor.
Hij bracht hier als kind vele geweldige vakanties door bij zijn tante, Elisabeth Parkes.
Later kwam hij hier terug met Yoko en de kinderen, in 1969 voor de laatste keer.
Hoewel hij de laatste jaren van zijn leven in New York woonde, zou hij er naar verluidt altijd van zijn blijven dromen om op een dag op een plek zoals Durness te wonen.
John voelde zich altijd meer Schots dan Engels, en volgens insiders haalde hij in Durness inspiratie voor het nummer “In my life”. Je vindt hier dan ook een kleine memorial garden met enkele zinnen uit het nummer.
Een andere bezienswaardigheid is de Smoo Cave. Deze feeërieke grot is zo bijzonder omdat ze ontstaan is door inwerking van de woeste zee enerzijds en het kolken van een kleine rivier anderzijds.
Er hangen uiteraard ook weer verschillende folklore verhalen aan vast. Volgens sommigen zou de grot een ingang naar het feeënrijk zijn. Een ander verhaal gaat dat de duistere tovenaar Donald MacKay tweemaal door de duivel werd aangevallen in de grotten, tot hij de duivel met een list deed vluchten. Het gat in het plafond van de eerste kamer van de grot zou het gat zijn waardoor de duivel gevlucht is.
Je kan de eerste kamer van de grot vrij bezoeken, maar om verder te kunnen gaan is een bootje nodig. Er worden boottochtjes in de grotten georganiseerd, maar jammer genoeg voor ons gaan die pas vanaf april door.
Na twee frisse nachten in ons tentje reizen we verder langs de NC500, verder naar beneden langs de noordwestkust wordt het alleen maar mooier en mooier en mooier…
Er wacht ons heel wat bijzonders, en ik sta te popelen om verder te vertellen, maar omdat deze blog alweer lang genoeg geworden is, bewaren we die verhalen graag voor de volgende keer!
Ciao!
x





















